Overtijd?
14 december 2016
Geen kant op
11 januari 2017
Toon alle

Op een zaterdag breekt een vrouw van 80 jaar een nekwervel tijdens een val in haar huis. Zij heeft grote moeite om bij de telefoon te komen om hulp van haar dochters te roepen.

 

Op een zaterdag breekt een vrouw van 80 jaar een nekwervel tijdens een val in haar huis. Zij heeft grote moeite om bij de telefoon te komen om hulp van haar dochters te roepen.

A ls de ambulance komt zegt mevrouw dat zij pijn in haar nek heeft. Het ambulancepersoneel biedt geen ondersteuning aan haar nek en zet haar zonder voorzorgsmaatregelen en met niet veel voorzichtigheid op de rand van haar bed. Mevrouw heeft een bebloed hoofd, omdat haar oor bij de val is gescheurd. Mevrouw heeft het gevoel dat als dit laatste niet was gebeurd, zij ook niet mee naar het ziekenhuis was genomen. Zij wordt op een brancard op wieltjes haar huis uit gereden, wat een pijnlijke aangelegenheid is. Pas in de ambulance krijgt mevrouw een kartonnen kraag om, de enige die in de ambulance aanwezig was. Mevrouw is erg geschrokken van de val, die zij niet voelde aankomen.

Gebroken nek

In het ziekenhuis wordt een scan genomen; een barstje is in de tweede nekwervel is zichtbaar. Er wordt besloten een scan met contrastvloeistof te maken. Daarmee wordt een breuk in diezelfde nekwervel geconstateerd. Er wordt tegen mevrouw gezegd, dat zij geopereerd moet worden. Er is echter in het ziekenhuis geen neurochirurg aanwezig. Mevrouw wordt met een vervoersambulance naar een ander ziekenhuis gebracht. Mevrouw heeft tijdens deze rit erg veel pijn. Iedere keer als de ambulance over een hobbel of drempel rijdt, verergert de pijn. Omdat mevrouw gilt van de pijn, kreeg zij uiteindelijk pijnstillers in de ambulance. Vanaf het moment dat mevrouw het eerste ziekenhuis is binnengekomen (einde van de ochtend) tot het moment dat zij op de verpleegafdeling in het tweede ziekenhuis is opgenomen (rond 3 uur ’s nachts) heeft zij al die tijd doorgebracht op de smalle brancard.

In het andere ziekenhuis aangekomen, zegt de neurochirurg liever niet te opereren. Er wordt mevrouw geadviseerd om 3 maanden met een kraag te lopen in de hoop dat de stukjes wervel tegen elkaar gaan groeien. Mevrouw krijgt ook een andere kraag, maar deze zit niet goed. Op maandag krijgt mevrouw ter vervanging in de gipskamer een plastic kraag bestaande uit twee delen. Als mevrouw terug is op de afdeling, zit de kraag weer niet goed. Hij is omhoog verschoven en zit voor haar mond, wat mevrouw een benauwend gevoel geeft. De volgende dag gaat mevrouw weer naar de gipskamer, omdat zij veel last heeft van de te hoog zittende kraag. De medewerker van de gipskamer zegt dat de kraag goed zit en mevrouw geen andere krijgt. Gelukkig merkt een andere medewerker van de gipskamer op, dat deze kraag instelbaar is en afgestemd kan worden aan de drager ervan. Na vier dagen gaat mevrouw naar huis. De neurochirurg regelt een hoog/laag bed en thuiszorg. De medewerksters van de thuiszorg hebben weinig verstand van de kraag om doen; “degene die vandaag stond mee te kijken hoe het moest, was morgen de expert” verduidelijkt mevrouw. De neurochirurg had gezegd dat de kraag ’s avonds af mocht, maar als mevrouw dan naar het toilet moest kon zij niet zelfstandig de kraag omdoen. Dat was dus geen optie.

Binnen drie maanden na mevrouw haar val volgen er twee controles. Een arts, die mevrouw voor het eerst ziet, laat tijdens de laatste controle mevrouw twee foto’s zien: één met een grote ruimte tussen de wervels en één met een kleine ruimte tussen de wervels. De eerste reactie van mevrouw is dat de wervel stukjes naar elkaar toe zijn gegaan. Maar het omgekeerde blijkt het geval; de breuk is groter geworden en de stukjes zitten ook niet meer recht ten opzichte van elkaar. De arts vertelt mevrouw dat de operatie niet zo zwaar is en dat zij daarna twee weken met de kraag moet lopen. Hij neemt echter geen beslissing en laat in het midden hoe verder te gaan. Mevrouw geeft aan geopereerd te willen worden. De gedachte om nog weer drie maanden met de kraag te moeten lopen, terwijl de breuk in haar nekwervel groter is geworden, ziet zij niet zitten. Mevrouw wordt de mogelijkheid voor gelegd om te kiezen uit twee samenwerkende ziekenhuizen waar zij de operatie laat doen. Als mevrouw gebeld wordt voor de datum van de operatie, kan zij niet naar het ziekenhuis van haar keuze, omdat daar pas na een aantal weken plek is.

In de tussentijd gaat mevrouw op advies van een gespecialiseerd verpleegkundige naar een ouderenarts, die haar erg goed helpt. In overleg met de ouderenarts besluit mevrouw te stoppen met Tramadol.

Twee dagen voor de operatie wordt mevrouw gebeld, dat de operatie niet door kan gaan wegens een spoedgeval en dat deze een week wordt uitgesteld. Op die dag wordt mevrouw geopereerd en de betreffende arts zegt dat zij de kraag zes weken moet dragen. Na de operatie wordt op de verpleegafdeling gezegd dat mevrouw geen kraag aan hoeft tijdens het liggen. Dit blijkt later wel het geval te zijn. Tijdens haar revalidatie blijkt dat mevrouw de kraag nog tot de volgende controle de kraag moet dragen. Die controle is over drie maanden. Het was een goede breuk op de goede plek zegt de arts bij deze controle. Mevrouw heeft haar kraag de laatste twee weken afgedaan. Dit had al eerder gemogen zegt de arts. Over drie maanden moet de vrouw terug komen voor een scan om te kijken of de botstukken alsnog tegen elkaar zijn aangegroeid.

Meegevertje

Afgezien van mevrouw haar verbazing over de verschillen in de voorlichting over het gebruik en de ondeskundigheid in het aanbrengen van de kraag vraagt mevrouw zich het volgende af. De tweede nekwervel draagt het hoofd en er komt dus veel kracht op die wervel. Kan deze belangrijke nekwervel dan bij een breuk aan elkaar groeien? Is de beslissing goed geweest om niet gelijk te opereren? Speelt leeftijd ook een rol bij het herstel van deze breuk? Mevrouw stelt ook vast, dat de keuze voor een ziekenhuis niet reëel is als de wachttijden zo verschillend zijn. En heel belangrijk: krijgen de medewerkers van de eerste ambulance een terugkoppeling van het ziekenhuis? En hoe krijgen zij dan feedback? Het ambulancepersoneel moet weten hoe ernstig de situatie van mevrouw was. En wat er met de vrouw had kunnen gebeuren; zij had kunnen overlijden of een dwarslaesie kunnen oplopen. En zodat deze situatie niet ook een andere patiënt overkomt. Want dat wenst de vrouw niemand toe.